Inleiding in de apologetiek
EEN INLEIDING IN DE APOLOGETIEK door J.M. (Kim) Batteau
In de loop van de jaren heb ik deze lezing verschillende keren gebruikt, en ook gemodificeerd. Dit is de laatste versie, die ik gebruikte om een korte cursus apologetiek te geven op de bijbelschool De Wittenberg, in Zeist, op vrijdag 8 december 2006. De indeling van het artikel is als volgt:
-
1) Wat is apologetiek
2) Meer dan verdedigen
3) Met wie praat de apologeet?
4) Orthodox en vrijzinnig geloof
5) Is geloof wel rationeel?
6) God bewijzen
7) De behandeling van een anti-Godbewijs: het lijden
8) Apologetiek in Romeinen 1
1) Wat is apologetiek
Een korte definitie van apologetiek is: het verdedigen van het christelijk geloof met behulp van rationele argumenten. In de loop van deze inleiding zullen we deze definitie toelichten en hier en daar veranderen. Het is een beginpunt.
Een ‘apologie geven’ betekent letterlijk ‘een antwoord geven om jezelf te verdedigen of te verontschuldigen’ (het Griekse werkwoord: apologéomai). In een christelijke context betekent apologie de verdediging van de Bijbelse boodschap. Petrus zegt in 1 Petrus 3.15: “Erken Christus als Heer en eer Hem met heel uw hart. Vraagt iemand waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden (letterlijk: een antwoord (apologia) geven).”
“Apologetiek” is in de loop van de kerkgeschiedenis een term geworden voor het theologische vak waarin de verdediging van het christelijk geloof systematisch wordt bestudeerd en uiteengezet. Je hebt dus de apologetiek-in-actie, zoals Paulus in Handelingen 17, en de academische reflectie op zulke apologetiek, die dezelfde naam heeft. Iemand die zich in de praktijk of als academicus bezig houdt met apologetiek, noemen we een apologeet.
In het Oude en Nieuwe Testament zie je gelovigen al bezig met de apologetiek-in-actie, het propageren van Gods waarheid, het verdedigen van die waarheid, en het kritiek leveren op alternatieven, met de intentie om niet-gelovigen (binnen of buiten de kerk) te te overtuigen van die waarheid.
Dit zie je met name in het Nieuwe Testament. Vanaf het begin van de kerk van het Nieuwe Verbond, hebben christenen het evangelie verkondigd en verdedigd, en de alternatieven genoemd en weerlegd. Thetisch uiteenzetten wie Jezus Christus is en wat Hij gedaan heeft. Antithetisch de bezwaren van gesprekspartners proberen te weerleggen. Hiertoe worden de standpunten van de gesprekspartners geanalyseerd en worden zwakheden daarin benoemd. Dat is dus niet alleen verdedigen, maar ook ‘aanvallen’.
Apologetiek heeft dus de vorm van een geprek met mensen die geen christenen zijn, met als doel hen te overtuigen van de waarheid van de bijbelse boodschap. Er is daarom veel overlap met missionaire prediking en evangelisatie.
We mogen denken aan Paulus op de Areopagus in Handelingen 17 als een voorbeeld van een apostel die apologetisch bezig was. Hij preekte temidden van de tempels en de filosofische stromingen van Athene in die tijd. Hij probeerde te communiceren met de Atheners in hun leefwereld, en tegelijkertijd leverde hij kritiek op hun ideeën, godsdienstige uitingen, en filosofische tegenstrijdigheden. Hij wilde hen leiden tot een geloof in Jezus Christus als de komende Rechter van de wereld, die opstond uit de dood. Paulus eindigt zijn apologetische preek als volgt: “God slaat echter geen acht op de tijd waarin men hem niet kende, maar roept nu overal de mensen op om een nieuw leven te beginnen, want Hij heeft bepaald dat er een dag komt waarop Hij een rechtvaardig oordeel over de mensheid zal laten vellen door een man die Hij voor dat doel heeft aangewezen. Het bewijs dat het om deze man gaat, heeft Hij geleverd door Hem uit de dood te doen opstaan.” (Hand.17.30,31)
Apologetiek heeft te maken met bewijzen dat God bestaat, dat Jezus Christus leeft, dat de wonderen in de bijbel echt gebeurd zijn, etc. In onze tijd klinkt dat vreemd. Veel mensen denken: “Je kunt geloof niet bewijzen. Je moet het gewoon geloven.”
Mijn vroegere professor in de apologetiek, Cornelius van Til, van Westminster Seminary in Amerika, zei daarover: “Alle feiten bewijzen dat het christelijk geloof waar is.” In de loop van dit artikel hopen we inzicht te krijgen in deze vreemd klinkende, apologetische uitspraak.
2) Meer dan verdedigen
Christelijke apologetiek is meer dan alleen maar jezelf verdedigen. Om een beeld te gebruiken: het ‘apologetisch voetbalteam’ heeft zowel aanvallers, middenvelders, als verdedigers nodig (en natuurlijk een keeper!). En in de sport is aanvallen vaak de beste defensieve strategie.
De christelijke Apologeten uit de tweede eeuw, zoals Justinus Martyr (“martyr” betekent martelaar), verdedigden het christelijk geloof, maar gingen ook over tot een aanval op het heidendom. Apologetiek is dus niet alleen defensief. Het is ook geen monoloog, maar heeft altijd een dialogische vorm, een gesprek tussen tenminste twee mensen. En reëel of verbeeld gesprek. In wezen is de diepste motivatie van apologetiek niet de behoefte jezelf te verdedigen, maar de wens om niet-gelovigen te overtuigen. Dat was zo vanaf de tijd van de Apologeten in de tweede eeuw, en het blijft zo. Je probeert kritiek te ontzenuwen, maar je doet dat juist om de criticus, en zijn aanhang, voor het evangelie te winnen. Je bent als echte apologeet niet tevreden, in het uitoefenen van de apologetiek, als je alleen maar jezelf verder en dieper overtuigt van de rationaliteit of historische betrouwbaarheid van wat je al gelooft. Je doet geen apologetiek voor jezelf. Je zoekt de ander, de niet-gelovige, in een poging om hem of haar tot geloof te brengen.
3) Wie zoekt de apologeet op?
In veel gevallen is de apologetiek niet alleen bedoeld om de overtuigde, zeg maar sterke, gesprekspartner te bereiken, maar minder overtuigde christenen en niet christenen. Minder overtuigde christenen, dat zijn de gelovigen die niet zo sterk in hun schoenen staan. Studenten, bijvoorbeeld, die onder de indruk komen van de argumenten van antichristelijke filosofieën. Door een gezond stuk apologetiek probeer je zulke broers en zussen te helpen. Het zijn vaak mensen die zich schizofreen voelen. Ze voelen zich van twee kanten getrokken. Van de kant van hun geloof gaat nog een kracht uit. Maar van de kant van hun niet-christelijke intellectuele omgeving gaat ook een kracht uit, die ze soms moeilijk kunnen verweren. Veel intellectuelen zijn voor de kerk verloren gegaan sinds de Verlichting (18e eeuw). Als je twijfelende christelijke studenten voor het evangelie wilt behouden, moet je met argumenten komen, niet alleen met emotionele appèls. En met argumenten komen als je het hebt over de waarheid van het evangelie, dat is apologetiek.
Dan heb je de minder overtuigde niet-christen. De persoon die geen gelovige in Christus is, maar open staat voor nieuwe ideeën, zelfs uit de bijbel. Misschien is de Heilige Geest al aan het werk in zijn of haar hart. De persoon die een boekwinkel binnenloopt, en onder al de Esoterische literatuur een theologisch boek ziet dat hem of haar interesseert. Deze persoon beschouwt zichzelf niet als een vijand van het christendom en weet er wellicht ook niet genoeg vanaf er echt ‘tegen’ te zijn. Er is wel contact geweest met christelijke ideeën zodat enkele vage bezwaren bestaan tegen wat ze tot nu toe heeft gehoord. Het zou goed zijn als er apologetische boeken waren die deze persoon zouden kunnen helpen in het zoeken. Boeken die de boodschap van de bijbel in verband brengen met de vragen die deze persoon heeft.
4) Orthodox of vrijzinnig geloof
Apologetiek houdt dus een verdedigen van het christelijk geloof in. Alleen, ‘christelijk geloof’ wordt in onze tijd op totaal verschillende, tegenstrijdige manieren ingevuld. Hendrikus Berkhof, de wijlen professor in de theologie uit Leiden (overleden in 1995), schreef een belangrijke dogmatiek, een inleiding in de geloofsleer, met de titel ‘Christelijk Geloof’.
Ditt geloof van Berkhof is op wezenlijke punten anders dan het historische, orthodoxe geloof van de christelijke kerk. Hij gelooft bijvoorbeeld niet in de Drie-eenheid. Dat God van alle eeuwigheid Vader, Zoon, en Geest is. Berkhof gelooft ook niet in Jezus Christus als één Persoon met twee Naturen, een menselijke en een goddelijke, zoals de belijdenissen van de kerk het christelijk geloof belijden.
Als de meerderheid van wat zich christelijke kerken noemen vrijzinnig is, of tenminste pluralistisch, wat zeker het geval is in Nederland in 2006, dan is het duidelijk dat de term ‘christelijk geloof’ ambivalent is geworden. Of eigenlijk ‘multivalent’, want er zijn meer dan twee varianten van het christelijk geloof in Nederland aanwezig. We kunnen beter spreken over het ‘orthodox christelijk geloof’ dat wij door de apologetiek willen verdedigen en propageren, om het verschil tussen orthodox en vrijzinnig niet onnodig te verdoezelen.
5) Is geloof wel rationeel?
De apologeet verdedigt zijn geloof met behulp van rationele argumenten, volgens onze eerste definitie. De apologeet komt in een verbaal dialoog te staan met anderen, als hij of zij onderneemt apologetiek uit te voeren. Je leest en je luistert, je analyseert, je overweegt, je formuleert je gedachten en je wisselt die gedachten uit. Je gebruikt woorden, zinnen, begrippen, en stijlen van argumentatie die zo veel mogelijk aansluiten op je gesprekspartner. Je zoekt communicatie. Niet ter wille van communicatie, maar ter wille van je overtuiging, ter wille van het evangelie. Je probeert een rationele discussie te voeren. Met het doel de tegenargumenten van je gesprekspartner te beantwoorden en hem te overtuigen, met redenen, en met redeneringen, dat het christelijk geloof waar is.
Er zijn echter duidelijke beperkingen in deze rationele discussie. Beperkingen in dat rationele. Het rationele is alleen tot een zekere hoogte een gemeenschappelijk bezit, en alleen in bepaalde, beperkte contexten. De betekenis van de term ‘rationeel’ blijft steeds een omstreden onderwerp in alle vakken van de wetenschap en in al de verschillende vormen van kunst in de wereld. Een diepmenselijk en daarom fundamenteel plooibaar en variabel begrip. Rationaliteit, dat is niet iets evidents, maar iets controversieels. Zo veel mensen, zo veel vormen van rationaliteit! Plato, Confucius, Boeddha, Descartes, Hegel, Sartre, Herman Philipse, ze beweren allemaal rationeel te analyseren en rationeel te denken, maar de inhoud van hun analyse en denken is totaal verschillend.
De rationaliteit is uiteindelijk geen zuiver begrip dat iedereen in de wereld op dezelfde manier opvat en hanteert. Als ik ‘hond’ zeg, in alle talen (stel dat je alle talen in de wereld zou kunnen spreken), weten mijn gesprekspartners vrij goed waarover ik het heb. Maar als ik ‘rede’, of ‘rationaliteit’ of ‘het denken van de mens’ zeg, dan ligt het anders. Elke menselijke cultuur heeft een sterk cultureel gekleurde conceptie van wat redelijk en niet-redelijk is. En het helpt niet om van te voren een definitie van de rationaliteit als geldend te poneren, als die alleen maar voor één cultuur geldt.
Het postmodernisme worstelt met het begrip ‘rationeel’:
“Scholars and historians most commonly hold postmodernism to be a movement of ideas that has both replaced and extended modernism by countering and borrowing from a number of modernism’s fundamental assumptions. For example, modernism places a great deal of importance on ideals such as rationality, objectivity, and progress — as well as other ideas rooted in The Enlightenment, and as positivist and realist movements from the late 19th century — while postmodernism questions whether these ideals can actually exist at all.”
(Wikipedia 2006)
Postmodernisme wordt in vele contexten gebruikt, maar terugkerende elementen zijn een afkeer van zowel grote filosofische stelsels als verreikende claims aangaande dé waarheid of de mogelijkheid van objectieve kennis; een relativistisch standpunt ten aanzien van morele waarden; een sceptische houding ten aanzien van het geloof in de vooruitgang van de wereld of cultuur.
Maar het postmodernisme maakt ook gebruik van rationele argumenten (verbale, samenhangende gedachten) om te bewijzen dat de ratio niet deugt! Een paradox. Het is meer een kritiek op een soort rationaliteit (totale concepties, ideologieën) dan op de rationaliteit op zich.
Er is dus geen transculturele, totale conceptie van wat rationeel is. Rationeel in India is anders dan rationeel in Japan of rationeel in Nederland. De algemene aanmaning om ‘je hersens goed te gebruiken’, ‘verstandig te zijn’, enz. leidt vanzelfsprekend tot verschillende gedachtes en gedragspatronen. Bovendien, in elke cultuur zijn er subculturen die hun eigen, aparte, onverenigbare definities van rationeel en niet-rationeel maken en hanteren. Denken, of rationeel denken, is op zich een open begrip dat ingevuld moet worden. Een pad, dat door de denker gevolgd wordt. Geen blok beton, maar een rivier, in beweging.
Het is de vraag of fundamenteel on-Bijbelse definities, concepties, of beschrijvingen van de menselijke rationaliteit wel kloppen. Het is inderdaad zo dat de apologetiek iets anders is dan direct preken of verkondigen, maar de ratio, de rationaliteit, die je als christen gebruikt, is uiteindelijk en ten diepste een ander soort denken dan die van de niet-christen. Wat verstandig en wijs is in de bijbel is anders dan wat voor de westerse atheïst verstandig en wijs is. Wie het boek Spreuken leest, ontdekt dit onmiddellijk. Bijbels denken is anders dan niet-Bijbels denken. Bijbels-rationeel is anders dan niet-Bijbels-rationeel. Er zijn in de grond van de zaak dus twee soorten ratio: een Bijbelse, of een on-Bijbelse. En die botsen! Dit is iets dat C. van Til in z’n apologetiek terecht benadrukt.
Uit al deze voorgaande overwegingen trek ik de conclusie dat de bovengenoemde definitie van de apologetiek verbeterd kan worden, zodat we de volgende definitie krijgen: “Apologetiek is het propageren en verdedigen van het orthodox christelijk geloof, met het doel de gesprekspartner voor het evangelie te winnen of behouden. Zowel bij de verdediging als het propageren wordt gebruik gemaakt van Bijbels-rationele argumenten.”
6) God bewijzen
Iets bewijzen is een belangrijk onderdeel van praten over wat waar is. Paulus gebruikt het woord ‘bewijs’ in Hand.17: Jezus’ opstanding is het bewijs dat God de wereld door Hem zal oordelen. Wat is eigenlijk een bewijs? Meestal denken we aan logische bewijzen, of wetenschappelijke theorieën die bewezen zijn, of historische bewijzen. Een bewijs is dan iets dat onbetwistbaar is. Elk verstandig mens moet kunnen zien dat dat bewijs klopt. Maar wat we eerder over de rationaliteit gezegd hebben, geldt ook hier. Net zoals er een transculturele rationaliteit niet bestaat, zo is er ook geen lange lijst van bewijzen, die iedereen in de wereld accepteert.
Toegegeven, in onze wereld zijn er een heleboel bewijzen die bijna iedereen, in elke cultuur, accepteert. Iedereen ziet als bewezen dat roken een oorzaak van kanker kan zijn. Maar zelfs aan dat voldongen feit wordt door sommigen mensen getwijfeld. En er zijn zelfs mensen die overtuigd zijn dat roken kanker veroorzaakt, zonder dat ze bereid zijn te stoppen met roken! Een zogenaamd bewijs kan verschillende uitwerkingen en toepassingen krijgen. De roker die niet wil stoppen zegt: “Ja, het is bewezen dat roken kanker veroorzaakt, maar niet in mijn geval!”
Iets bewijzen in de wetenschap is vaak gecompliceerd. Neem bijvoorbeeld de wiskunde: het probleem is, dat datgene wat je uiteindelijk bewijst met een reeks logische stellingen, al in je vooronderstellingen aanwezig is. Dat zijn de axioma’s, de grondstellingen die je veronderstelt waar te zijn, om formules te construeren en conclusies te trekken. Maar hoe weet je dat je grondstellingen waar zijn, dat je axioma’s werkelijk geldend zijn in het universum? Dat kun je niet wetenschappelijk bewijzen, dat wordt alleen maar gepostuleerd. Dat zijn de spelregels van de wiskunde. Wiskundigen praten niet over de werkelijkheid, ze praten over de gevolgen van gekozen axioma’s.
Wat de geschiedenis betreft, iedereen is het er mee eens dat er geen harde bewijzen zijn, maar alleen gradaties van waarschijnlijkheid, en geïnterpreteerd door de subjectiviteit van de onderzoeker.
Momenteel worden in de microfysica en in de macroastronomie theorieën bedacht die ons als sciencefiction in de oren klinken. De gekste dingen kom je daar tegen. Maar toch worden zulke theorieën gesteld als rationeel en bewijsbaar, omdat ze voortbouwen op reeds geaccepteerde veronderstellingen.
De term ‘bewijs’ is dus niet altijd een doorzichtige term. Bewijzen zijn niet altijd waterdichte redeneringen, die iedere verstandige mens moet accepteren, maar redenaties die verschillende ontvangsten kunnen krijgen. Uiteindelijk is een bewijs iets dat mij, persoonlijk, overtuigt.
7) anti-Godbewijs: het lijden
Je leest in de filosofische literatuur vaak hetzelfde argument als ‘bewijs’ tegen Gods bestaan. Je zou dit het klassieke antigodsbewijs kunnen noemen en het betreft het probleem van de goede, almachtige God en het lijden in de wereld.
Het gaat terug naar de Griekse filosoof Epicurus.
Epicurus was de eerste die het probleem van God en het lijden filosofisch formuleerde en bestudeerde. De volgende reductio ad absurdum wordt wel de paradox van Epicurus genoemd (parafrase):
• Er bestaat lijden, dus God is ofwel niet in staat, ofwel niet van zins het op te heffen;
• Als God het kwaad niet kán opheffen is hij niet almachtig;
• Als hij het niet wíl opheffen is hij kwaadaardig.
(Wikipedia 2006)
Laten we het argument formaliseren:
1. Er is een hoop ellende in de wereld.
2. Als God bestaat, dan is Hij almachtig en goed.
3. Maar als Hij almachtig en goed is, zou Hij de ellende in de wereld niet toelaten.
4. Daarom bestaat er geen God die almachtig en goed is.
Als de punten 1, 3, en 4 van deze redenering geaccepteerd worden, hoeft dat niet te leiden tot het ontkennen van het bestaan van een god. Er zijn er zijn natuurlijk twee andere mogelijkheden, namelijk:
5. Als God bestaat, dan is Hij niet almachtig.
of
6. Als God bestaat, dan is Hij niet alleen maar goed.
Dan kun je wel de ellende in de wereld constateren, zonder dat je Gods bestaan ontkent. Maar deze mogelijkheden worden meestal niet serieus genomen door ongelovige, westerse vakfilosofen die de godsbewijzen bespreken. Dit in tegenstelling tot niet-orthodoxe theologen, zoals J. Moltmann, die Gods niet-almachtig-zijn verdedigen, en mystieke filosofen zoals Böhme, Hegel, en Hindoe filosofen, die in de loop van de geschiedenis Gods niet-alleen-maar-goed-zijn verdedigen. Wat, in de regel, de humanistische, westerse vakfilosofen betreft, het logische bewijs wordt geleverd dat het onmogelijk is dat een almachtige, goede God bestaat.
Aan de andere kant hebben, gedurende de laatste 30 jaar, christelijke vakfilosofen veel tijd besteed aan het weerleggen van het klassieke antigodsbewijs, en met redelijk veel waardering van sommigen van hun vakgenoten. De vanzelfsprekendheid waarmee het antigodsbewijs wordt geponeerd, wordt in groeiende mate betwist door bekwame, christelijke filosofen zoals Alvin Plantinga.
Plantinga probeert het antigodsbewijs te ontzenuwen door een verdediging van de vrije wil van de mens. Zijn argument gaat min of meer als volgt:
1. Er is een hoop ellende in de wereld.
2. Als God bestaat, dan is Hij almachtig en goed.
3. Als de goede God, geeft Hij vrijheid aan Zijn schepselen om tegen Hem te kiezen en een hoop ellende te veroorzaken.
4. Daarom kan God almachtig en goed zijn, terwijl er hoop ellende in de wereld is.
Anderen antwoorden Plantinga met het verwijt dat een goede God nooit zo’n vrijheid aan Zijn schepselen zou geven. Plantinga antwoordt met: hoe weet u dat een goede God dat nooit zou willen doen? En de discussie gaat verder.
8) Apologetiek in Romeinen 1
Materiaal voor een Bijbelse apologetiek is niet alleen in Handelingen 17 te vinden. Romeinen1 is ook heel belangrijk.
Romeinen 1 vers 18 tot 25, in de Nieuwe Bijbelvertaling vertaling:
“En vanuit de hemel openbaart Gods toorn zich over al het kwaad en onrecht van hen die met hun onrechtvaardigheid de waarheid schade aandoen (letterlijk: ten onder houden, katechoo, JMB). Want wat een mens over God kan weten is hun bekend omdat God het aan hen kenbaar heeft gemaakt. Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembar. Er is niets waardoor zij te verontschuldigen zijn, want hoewel ze God kennen, hebben ze Hem niet de eer en dank gebracht die Hem toekomen. Hun overpeinzingen zijn volkomen zinloos en hun onverstandig hart is verduisterd. Terwijl ze beweren wijs te zijn, zijn ze dwaas en hebben ze de majesteit van de onvergankelijke God ingewisseld voor beelden van vergankelijke mensen, vogels, lopende en kruipende dieren. Daarom heeft God hen in hun lage begeerten uitgeleverd aan zedeloosheid, waarmee ze hun lichaam onteren. Ze hebben de waarheid over God ingewisseld voor de leugen; ze vereren en aanbidden het geschapene in plaats van de schepper, die moet worden geprezen tot in eeuwigheid. Amen.”
Je moet eigenlijk deze tekst in verband brengen met Handelingen 17. Want je zou misschien de indruk krijgen dat Paulus, als hij zo dacht over de heidenen, inclusief de heidense filosofen, geen gesprek zou voeren zoals hij in Handelingen 17 het wel doet. Paulus zegt dat mensen God kennen, maar toch die waarheid ten onder houden. In de apologetiek kom je in gesprek met mensen die zeggen God te kennen maar die Hem toch niet kennen. Je mag dan met veel geduld proberen uit te zoeken wat zijn of haar probleem is in het kennen van God en de oplossing in Gods openbaring zoeken.
Apologetiek is dus niet alleen het verdedigen van het geloof in God. Het is ook het laten zien dat mensen geschapen in Gods beeld, maar nu zondig en schuldig zijn. Je brengt mensen niet alleen in aanraking met God, je probeert hen in aanraking te brengen met zichzelf, in het licht van Gods Woord. Want alleen als je ziet dat je een zondaar bent, die Gods toorn verdient, kun je de waarde zien van de verlossing in Christus. De apologeet brengt zijn of haar gesprekspartner in contact met de Schrift, met het evangelie, zoals in Romeinen 1. En dan zie je opnieuw: apologetiek is een aspect van de grote opdracht van Jezus om het evangelie te verspreiden!
Vroege kerk:
Twee apologeten uit het vroege Christendom: Justinus en
Athenagoras (G.J.M. Bartelink, trans.; Kampen: Kok, 1986).
J.A. Meijer, Verantwoorde hoop: Christelijke apologetiek in
een hellenistische wereld (Barneveld: Vuurbaak, 1988).
Engels supranaturalisme:
J. Butler, The Analogy of Religion (W.E. Gladstone, ed.; London: Oxford, 1907; 1rst ed., 1736).
W. Paley, Evidences of Christianity (Collected Works, Vol.3; London: Baynes, 1823)
W. Paley, Natural Theology (Collected Works, Vol.4; London: Baynes, 1823)
Ned. vert.: W. Paley, Natuurlijke Godgeleerdheid… (J. Clarisse, trans.; Amsterdam: Allart, 1810).
Nederlands supranaturalisme:
J.J. van Oosterzee, “Hoe moet het modern Naturalisme bestreden
worden?” (Toespraak; Utrecht: Kemink, 1863).
J.J. van Oosterzee, “Het Scepticisme, door den godgeleerde onzer dagen zorgvuldig te vermijden,” (Inwijdingsrede; Rotterdam: Verbruggen & Van Duym, 1863).
J.J. van Oosterzee, Christelijke Dogmatiek (Utrecht: Kemink, 1870).
Modernistische apologetische theologie:
P. Tillich, Systematic Theology (3 vols.; Chicago: U. of Chicago, 1951-63).
W. Pannenberg, Grundfragen systematischer Theologie (I) (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 1967)
W. Pannenberg, Grundfragen systematischer Theologie (II)
(Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 1980).
Francis Schaeffer, De God die leeft.
Cornelius Van Til:
Greg L. Bahnsen, Van Til’s Apologetiek (Phillipsburg, N.J.: 1998)
10) Bekende (en minder bekende) Apologeten
Namen van apologeten, meer en minder bekend:
–Justinus de Martelaar (Martyr) (100/114-ca. 165). Een van de belangrijke “apologeten” van de 2e eeuw.
In zijn eerste apologie, gericht aan Antoninus Pius, verdedigde hij het christendom tegen allerlei beschuldigingen zoals atheïsme, incest, kannibalisme, domheid, etc. Ook legt hij op positieve wijze het leven van de christenen uit. Zijn tweede apologie is een kort, hartstochtelijk protest, veroorzaakt door de executie van mensen alleen maar omdat ze christen waren. (Ned. Wikipedia, 2006)
–Tertullianus (ca. 160-ca. 230).
Een belangrijke, maar in sommige opzichten ook omstreden, kerkvader. Over zijn leven is weinig bekend. Hij is in de kerkgeschiedenis vooral van betekenis als verdediger van de christenen tegen de heidenen. Het apologeticum, een document waarin hij de christenen verdedigt tegen de laster van het klassieke heidendom, is zijn bekendste werk. Ook heeft hij belangrijke bijdragen geleverd aan de formulering van theologische begrippen zoals Triniteit, Persoon, Wezen, etc. (Ned. Wikipedia, 2006)
–Augustinus (353-430). Schreef De civitate Dei (413-426, over de stad van God) als “apologetisch geschrift” tegen de beschuldiging van heidense Romeinen dat de invloed van het christendom de staat zo had verzwakt dat een Germaanse stam onder de leiding van Alaric Rome kon vernietigen. Hij laat zien dat de goden van de Romeinen hen niet konden helpen.
–Anselmus van Canterbury (1033-1109). De eerste die het “ontologisch bewijs” voor Gods bestaan uiteenzette.
Anselmus van Canterbury was de eerste die een logisch bewijs van het bestaan van God formuleerde. Dit zogeheten ontologische godsbewijs laat zich als volgt samenvatten:
-
• God is, per definitie, het volmaaktste wezen dat denkbaar is: id quo maius nihil cogitari potest.
• Het is beter te bestaan dan niet te bestaan, dus iets dat niet bestaat kan nooit volmaakt zijn.
• Een niet bestaande God is minder volmaakt dan een bestaande.
• Dus moet God bestaan.
Dit bewijs werd in de twintigste eeuw geformaliseerd met behulp van de modale logica door Kurt Gödel. (Ned. wikipedia, 2006)
“An ontological argument for the existence of God is an argument that God’s existence can be proved a priori, that is, by intuition and reason alone. In the context of the Abrahamic religions, it was first proposed by the medieval philosopher Anselm of Canterbury in his Proslogion, and important variations have been developed by philosophers such as René Descartes, Gottfried Leibniz, Norman Malcolm, Charles Hartshorne, and Alvin Plantinga. A modal logic version of the argument was devised by mathematician Kurt Gödel. The ontological argument has been controversial in philosophy and many philosophers have famously criticized or opposed it, including Anselm’s contemporary Gaunilo of Marmoutiers, as well as David Hume, Immanuel Kant, and Gottlob Frege.” (Eng. Wikipedia, 2006)
–Thomas van Aquino (1225-1274). Maakte gebruik van verschillende “bewijzen dat God bestaat.” Bijvoorbeeld het “kosmologisch bewijs”:
1) Het heelal heeft een begin;
2) Dit begin is veroorzaakt;
3) Deze oorzaak is persoonlijk.
(Jacques van der Meer website, 2000)
–Blaise Pascal (1623-1662). Franse filosoof, theoloog, en wis- en natuurkundige. Hij schreef Pensées . Hij gebruikt logische argumenten en argumenten gebaseerd op ervaringen om Gods bestaan te bewijzen. (zie: Christendom voor moderne heidenen, Pascals gedachten voor u / door Peter Kreeft, 2000. Amsterdam, uitgeverij Boom). Le cœur a ses raisons que la raison ne connaît point.
–C.S. Lewis (1898-1963). Engelse professor in de Middeleeuwse literatuur en christelijke apologeet.
Lewis is known for his work on medieval literature, Christian apologetics, literary criticism and fiction. He is best known today for his children’s series The Chronicles of Narnia. (Eng. Wikipedia, 2006)
Boeken van C.S. Lewis:
-
• De kromme en de rechte weg (semi-autobiografische allegorie), ISBN 9051942850, verschijnt in 2007
• Malacandra (deel 1 van SF-trilogie), ISBN 9043504084
• Het probleem van het lijden, ISBN 9025947492
• Brieven uit de hel, ISBN 9043505455
• Perelandra (deel 2 van SF-trilogie), ISBN 9043505838
• De afschaffing van de mens, ISBN 9043505285
• Thulcandra (deel 3 van SF-trilogie), ISBN 9043507822, verschijnt in 2007
• De grote scheiding, ISBN 9025947891
• Wonderen, ISBN 9051941021
• Transpositie en andere toespraken, ISBN 9051941986
• Onversneden christendom, ISBN 9043505242
• Verrast door vreugde (autobiografie), ISBN 9051941803
• Het ware gelaat (roman), ISBN 9051941587
• Gedachten over de Psalmen, ISBN 9051942427
• De vier liefdes, ISBN 9051940815
• Verdriet, dood en geloof (autobiografische aantekeningen na het overlijden van zijn vrouw), ISBN 9051940289
• Brieven aan Malcolm over het gebed, ISBN 9051940238
• Varensporen en olifanten (essays), ISBN 9043513164
• Brieven aan Mary Willis, ISBN 9024261791 (Ned. Wikipedia)
–Francis Schaeffer (1912-1984). Amerikaanse theoloog en filosoof. “Cultuur-apologeet,” die laat zien waar een goddeloze cultuur erop uit loopt.
Francis A. Schaeffer (30 januari 1912-15 mei 1984) was een Amerikaans theoloog, filosoof, en presbyteriaans voorganger. Hij is het meest bekend om zijn boeken en het oprichten van de L’Abri gemeenschap in Zwitserland. In tegenstelling tot het theologische modernisme, promootte Schaeffer een orthodox protestants geloof en een presuppositionele benadering van Christelijke apologetiek. (Ned. Wikipedia, 2006)
–Cornelius van Til (1895-1987). Amerikaanse theoloog en filosoof.
Van Til drew upon the works of Dutch Calvinist philosophers such as D. H. Th. Vollenhoven and Herman Dooyeweerd and theologians such as Herman Bavinck to bring together a fresh approach to Christian apologetics, which opposed the traditional methodology of reasoning on purportedly neutral grounds with the non-Christian. He did not particularly care for the label describing his approach as “presuppositional,” which more accurately represents the apologetical method of Gordon Clark, but he (and his students) accepted it as a matter of convention because it is at least useful in grouping methods into those which deny neutrality and those which do not. (Eng. Wikipedia, 2006)
–William Lane Craig (1949- ). Amerikaanse theoloog en filosoof.
William Lane Craig (born August 23, 1949) is an American philosopher, theologian, New Testament historian, and Christian apologist. He is a prolific author and lecturer on a wide range of issues related to the philosophy of religion, the historical Jesus, the coherence of the Christian worldview, and natural theology. He is married and lives in Atlanta, Georgia, and is currently a Research Professor of Philosophy at Talbot School of Theology, Biola University in La Mirada, California. (Eng.Wikipedia, 2006)
–Wim Rietkerk (? - ). Drs. theologie. Raadslid ChristenUnie Utrecht. Predikant Nederlands Gereformeerde Kerk. Medewerker l’Abri Nederland, voorzitter l’Abri Internationaal. Impressie van Wim Rietkerk van een avond met Philipse en Houtepen e.a.:
‘Wat mij diep getroffen heeft is dat er op geen enkele manier in het forum stem werd gegeven aan het ‘gewone’, over de hele wereld door miljoenen mensen beleden evangelische christelijke geloof. Het leek alsof iedereen de stelling van Philipse onderschreef dat het christelijk geloof op geen enkele manier in waarheid gegrond is en ook niet berust op kennis. Er bleek wel enige beweging in de stelling te krijgen toen ik Johannes 1:14 voorlas, waar staat: “Niemand heeft ooit God gezien, maar alleen Jezus heeft ons Hem doen ‘kennen’(!)”. Is dat geen kennis? Waarom zou er alleen wetenschappelijke kennis zijn en waarom zou omgangs-kennis het niet zijn , die wel degelijk ergens op gebaseerd is: gebeurtenissen, profetieen. (Groen van Prinsterer zei al: ‘Hij heeft gesproken en er is geschied’). Die kennis laat zich volgens Philipse niet wetenschappelijk verificeren. Toen ik een verhaal uit het O.T. citeerde (de opwekking uit de dood van de zoon van de sunamitische) waar de bijbel zelf alle aandacht geeft aan het verificatie-element (2 Koningen) Toen verloor ik helaas mijn gehoor en flitste het over naar een verder uitdiepen van ‘ietsisme’. Ik heb uit deze avond geleerd hoe belangrijk het is om juist vandaag naar voren te schuiven dat geloven als christen berust op het hebben van een overtuiging, die ergens op gegrond is en waar je op gepaste wijze naar de aard van het onderwerp ook het element van verificatie aan mag verbinden. Het is gewoon waar, en daarom zet ik mijn vertrouwen erop. ‘
(van website ChristenUnie Utrecht 2006)
–Willem Ouweneel (1944- ). Nederlandse bioloog, theoloog, en filosoof.
Ouweneel is onder het evangelisch/orthodox-protestantse deel van Nederland een bekend publicist en spreker. Ook is hij een ervaren debater. Hij is afgestudeerd als bioloog, meervoudig gepromoveerd, namelijk in de biologie, theologie en de filosofie. Daarnaast heeft hij talloze populair-wetenschappelijke boeken op zijn naam staan. (Ned. Wikipedia, 2006)
Zie: De God die er is : waarom ik geen atheist ben
–Cees Dekker (1959- ). Nederlandse natuurkundige.
Dekker is mederedacteur van het boek “Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp?” (Ten Have Baarn, 2005) dat gaat over toeval of doelgerichtheid in de evolutie van het leven. Mede door dit boek ontstond in Nederland een discussie over de theorie van het intelligent design (vertaling: intelligent ontwerp). De titel van het boek verwijst naar een serie gesprekken met wetenschappers die de journalist Wim Kayzer begin jaren negentig heeft gevoerd en die onder de titel “Een schitterend ongeluk” werden uitgezonden door de VPRO. Kayzer wordt op de achterflap van het boek aan het woord gelaten.
In 2006 kwam een nieuwe bundel uit getiteld “En God beschikte een worm” (Ten Have Baarn, 2006), net als ‘Sporen van ontwerp’ onder redactie van Cees Dekker, Ronald Meester en René van Woudenberg. Het boek gaat over de relatie tussen evolutie en schepping. Dekker zelf schreef er een hoofdstuk in over de redelijkheid van een (a-)theïstisch wereldbeeld. (Ned. Wikipedia, 2006)
–René van Woudenberg (?- ). Hoogleraar kentheorie en ontologie, VU Amsterdam.
Een wetenschapper kan heel goed gelovig zijn. Volgens Cees Dekker en René van Woudenberg kunnen geloof en wetenschap wel degelijk samengaan, maar laat het simplistische wereldbeeld van Richard Dawkins dat alleen niet toe. Ook zijn vertrouwen dat de wereld zonder geloof beter wordt, is naïef.
Richard Dawkins, de bekende Britse wetenschapspopularisator, droomt van een wereld zonder religie. Want het is de religie die – naar zijn zeggen – verantwoordelijk is voor de belangrijkste gruwelen in de geschiedenis van de mensheid. Zijn droom van een betere wereld kan werkelijkheid worden, zo stelt hij, wanneer men religie nuchter, dat wil zeggen wetenschappelijk, bekijkt. Want dan ziet men dat religies delusions zijn, ‘hardnekkige misvattingen, volgehouden ondanks krachtig tegenbewijs, in het bijzonder als symptoom van een psychiatrische aandoening’.
(De Volkskrant, 18 nov. 2006)