Wat is de basis van je geloof?
Wat is de basis van je geloof?
Dit artikel is een bewerkte versie van de lezing van Robb Ludwick van l’Abri, die hij heeft verzorgt op 23 november 2006 te Den Haag. De bewerking is vooral esthetisch van aard.
Zo is de inhoud verdeeld in 4 kopjes, om structuur te geven aan het artikel:
Inleiding
Is ons kennen van en vertrouwen op God voornamelijk gegrond in de bijbel zelf, of komt het ook voort uit andere dingen, zodat de bijbel een deel uitmaakt van meer “ankerpunten”?
Heeft de bijbel, of beter gezegd, heeft een diep inhoudelijk begrip van de bijbel de eerste prioriteit in ons geloofsleven en is het de sterkste basis voor onze zekerheid in het geloof?
Als bijbelkennis en dogmatiek de boventoon voeren, lijkt het alsof geloof een zaak van intellectuele zekerheid alleen is. Dat het verstand een plaats voorin krijgt, en dat onze geloofszekerheid voornamelijk op een begrip van bepaalde dogma’s gebaseerd lijkt te zijn.
In onze tijd zijn christenen zeer gevoelig geworden voor de algemene ontwikkelingen in onze cultuur, die een prioriteit geeft aan ons individueel gevoel en onze persoonlijke ervaring in de zoektocht naar wat waar zou kunnen zijn. Deze ontwikkeling werpt ons uiteindelijk terug op onszelf als verantwoordelijk voor het bepalen van wat waar is of niet.
Beide benaderingen beschrijven karikaturen van het geloof, als ze eenzijdig worden belicht. Op beide benaderingen kom ik later terug, maar ik wil beginnen met het aanhalen van gedeeltes van 2 recente artikelen, want ze zetten de vraag die we hier willen bespreken, op een goede manier neer.
Ten eerste een artikel van september 2006 uit het dagblad Trouw. Het artikel behandelt een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau over de ontkerkelijking van Nederland. Uit een enquête waarin de verschillende religieuze patronen en gewoontes van Nederlanders onderzocht werd bleek, dat hoewel de kerken leeglopen, religiositeit een steeds prominentere rol inneemt in het leven van mensen.
In een tweede artikel uit hetzelfde dagblad van oktober 2006 voeren twee broers, Frank en Maarten Meester, een dialoog over de uitslag van het eerste artikel. Een quote daaruit:
Maarten: “Wie in de Middeleeuwen gezondigd had, kon zijn zonden afkopen door de kerk geld te geven. Maarten Luther kwam terecht tegen die aflaten in opstand. Luther en zijn volgelingen hebben de mens geleerd om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen leven en om zelf na te denken.”
Waarop Frank zegt: “Dat is verschrikkelijk stom geweest. Hun aanpak heeft rechtstreeks geleid tot de secularisatie. Op het moment dat je gaat nadenken over je geloof, ben je het kwijt.”
In het eerste artikel lezen we dat de mens zijn spiritualiteit niet heeft verloren in de secularisatie van deze tijd. In het tweede artikel wordt de rationele, verstandgebaseerde visie op het geloof als oorzaak van secularisatie genoemd, want: zodra je over je geloof nadenkt, ben je het kwijt (volgens Frank).
Er wordt hier dus heel sterk een onderscheid gemaakt tussen geloven en denken. En grappig genoeg geeft Frank Meester Luther de schuld van de secularisatie, want al is Luther degene die voor een besef van genade voor het individu opkwam, volgens Frank is hij ook degene die alle autoriteit aan de individu gaf, zodat wij alle mogelijkheden voor overgeven en vertrouwen verloren zijn.
Of dat een direct gevolg van de reformatie is, daarover heb ik grote twijfels. Een kern van waarheid kan er wellicht in gevonden worden. Zo zeggen sommige rooms-katholieke geleerden (waaronder John Milbank), dat door de reformatie een sterke nadruk op het individu kwam te liggen en dat in de reformatorische traditie uiteindelijk ook een grote nadruk op de ratio kwam te liggen.
Het idee dat wij controle over bepaalde zaken in het leven kunnen krijgen door de kracht van onze rationele vermogens, de wetten die wij kunnen ontdekken en formuleren, is voornamelijk ontstaan door de Verlichting, een seculiere filosofische ontwikkeling.
Geconstateerd moet worden dat de Verlichting ook invloed op kerkelijke, gelovige stromingen heeft uitgeoefend. Vooral in bepaalde kringen van de gereformeerde traditie.
Wij zijn allemaal kinderen van onze eigen tijd, dus liever dan naar stromingen te wijzen, laten we gewoon eerlijk naar onszelf kijken en de nodige stappen nemen om weer dichtbij de bijbelse visie op geloof te komen. Ik vind het opmerkelijk dat Nederlanders in het algemeen spiritueel willen zijn, zonder veel nadruk op “waarheid” te willen leggen. En met waarheid bedoel ik dan een rationeel besef van een bepaalde inhoud, dat vaak tegenover mysterie, ervaring, vertrouwen, gevoel en uiteindelijk ook tegenover geloof wordt gesteld. Dat heeft mijns inziens veel te maken met een romantische reactie op het Verlichtingsideaal dat alles rationeel te kennen zou zijn. De romantische reactie is dan een nadruk op andere ingangen tot waarheid, zoals meer intuïtieve, mysterieuze en emotionele bekwaamheden. We zouden veel meer over dit postmoderne gedachtegoed kunnen zeggen, maar voor dit artikel gaat het om deze romantische reactie.
Want romantisch zijn we. Niet alleen als cultuur, maar ook als christenen. Dit zien we terug in hoe wij ons eigen geloof vandaag beschrijven, wat wij daarin en daarvan verwachten, en hoe wij daarover spreken, onder elkaar maar ook naar buiten, zelfs in evangelisatie.
Weer gebruik ik twee recente voorbeelden om dit te verduidelijken.
Als eerste voorbeeld wijs ik op de bekende Amerikaanse christelijke schrijver Philip Yancey, die beschrijft dat wat hem tot God gebracht heeft en wat nu voor hem een groot deel van zijn geloofsleven fundeert, niet direct de bijbel of de inhoudelijke bespreking daarvan is. Het was een innerlijke belevenis van zijn gevoel en ervaring in zijn eigen leven dat hem overtuigde van het bestaan van God. Op zich sta ik helemaal achter wat hij hierover zegt en ik verwacht dat vele christenen nu zich hierin herkennen, maar ik heb ook een vraag: toen hij God ontdekte in ervaring en gevoel, hoe wist hij dan dat hij op zoek was naar een God? En hoe kwam hij uit bij de God van de bijbel? Misschien was de bijbel niet de eerste stap voor hem, maar later blijkt dat de bijbel wel degelijk een belangrijke rol speelt in zijn leven als christen.
Een tweede voorbeeld komt uit een boek dat momenteel van een enorme succesgolf in Amerika aan het genieten is: Blue Like Jazz van Donald Miller. Hij beschrijft hoe hij de ratio opzij heeft gezet om tot een waar geloof te kunnen komen. De ratio hield hem tegen om te geloven en hij is blij verlost te zijn van het zoeken naar rationele zekerheid en bewijzen. Daar herken ik mezelf ook in. Dat is eigenlijk de zegen van postmodernisme geweest, dat we niet meer in een verlichtingachtige afgod van rationele zekerheid en bewijs hoeven te geloven om te zeggen dat we god kennen, of de waarheid kennen. Maar hij brengt het naar een ander niveau: bijna op dezelfde manier als Frank Meester maakt hij een sterke scheiding tussen het intellect (rationele kennis) en geloof. En daarbovenop, oprecht christen als hij is, noemt hij het intellect min of meer waardeloos, want, zo schrijft hij: “wat kunnen we überhaupt weten?”.
Ik denk te snappen wat hij bedoelt en ik ben het er mee eens dat rationalisme en het geven van de prioriteit aan de ratio in het zoeken van waarheid, niet de juiste weg is. Maar, of wij onze ratio daarom moeten of kunnen uitschakelen en het geloof puur op sociale, emotionele en psychologische “kennis” moeten baseren? Dat zou ik niet willen beweren.
Dat geeft Donald Miller ook toe, zij het onbewust, want ook sociale en emotionele redenen om te geloven vragen een betrokkenheid van de rede. Wij zijn mensen met verstand, hart en ziel. Het uitschakelen van een onderdeel is gewoonweg niet mogelijk. Dat het ene bij een persoon meer op de voorgrond treedt dan het ander, is een kenmerk van de individualiteit van de mens.
OK, wat doen we hier nu mee.
Je hebt al een beetje kunnen ontdekken wat ik van de aangehaalde uitspraken vind, maar laat me duidelijk zijn over het volgende: ik geloof dat Philip Yancey en Donald Miller absoluut integere gelovige mannen zijn. Ik heb daar geen twijfels over. Ik vind ook dat ze een belangrijk onderdeel van mijn verhaal hebben onderstreept, namelijk het belang van ervaring en gevoel in je persoonlijke geloof. Ik betoog alleen dat ze een onnodige scheiding aanbrengen tussen ratio en geloof. Het schept namelijk een onjuist dilemma: hoofd óf hart, verstand óf gevoel, bijbel en preken en het denken over bepaalde vraagstukken óf ervaring en mysterie. Kortom: kennis óf geloof. In het vervolg wil ik aantonen waarom dit een onjuist dilemma is.
Op zoek naar kennis
De insteek die ik kies ligt in onze menselijke verlangens. Verlangens die we allemaal hebben als totaalmensen met hersenen, harten en handen. Verlangens naar een bepaalde zekerheid, een bepaald houvast. Maar ook het verlangen naar erkenning, relaties en genegenheid. Als we goed naar onszelf luisteren dan ontdekken wij, denk ik, heel veel nuttige en belangrijke elementen die een cruciale rol spelen in de fundering van ons geloof.
Daarna zullen we nog zien dat een externe beschrijving van ons als mens nodig is, om al de facetten van ons menszijn te kunnen plaatsen. Als wij namelijk in onszelf blijven zoeken, zullen we veel ontdekken over wat we nodig hebben, waar we gebouwd voor lijken te zijn en misschien lijkt het zelfs naar iets te wijzen. Maar zonder bevestiging van buiten onszelf zitten we gewoon met die informatie zonder idee over wat wel of niet moet bestaan. Zelfkennis zegt op zich niks over de vraag of wij een absurd verlangen hebben of niet. Het is een belangrijk begin, maar het blijft maar een begin. Er zijn, met andere woorden, verschillende geluiden waar we naar moeten luisteren, van binnenuit en ook van buitenaf.
Ik vind het interessant dat Johannes Calvijn, een belangrijke reformatorische figuur uit de 17e eeuw, in zijn uitleg van de basis van het geloof begint met een hele interessante stelling.
Hij begint met de zin: zonder kennis van onszelf is er geen kennis van god.
En hij bedoelt daarmee niet alleen een kennis van eigen tekortkoming, eigen trots en eigen zonde, maar ook van al die glorieuze manieren waarop de mens Gods beeld weerspiegelt.
In Romeinen 1 zegt Paulus dat de schepping de werkelijkheid en waarheid van God weerspiegelt. Het wijst naar hem toe. En dan heeft Paulus het niet alleen over bergen, sterren en regenbogen, maar ook over de mens zelf, hoe wij in elkaar zitten. Wie we zijn en wat we zoeken. De waarheid is vaak voor een leugen ingeruild, zegt Paulus verder, maar het blijft spreken. Dat hebben Philip Yancey en Donald Miller goed onder woorden gebracht in hun boeken.
Maar Calvijn voegt er gelijk een andere zin aan toe: zonder kennis van God is er geen echte kennis van onszelf. Dus: tenzij wij horen van God de Schepper over hoe en waarom wij bestaan, krijgen we uiteindelijk niet de zekerheid die we nodig hebben.
Onze zekerheid ligt niet in de kennis van wat we nodig hebben als mens. Dat is slechts een aanleiding om te zoeken naar zekerheid. Onze zekerheid ligt in het feit dat er een persoonlijk antwoord is gegeven op onze vragen en dat we dat kunnen horen, begrijpen en bevestigd krijgen.
Francis Schaeffer schrijft in zijn bekende boek ‘Escape from Reason’ dat de mens wel moet luisteren naar de openbaring in zichzelf, maar als men alleen maar naar zichzelf luistert en nooit naar de God die leeft en spreekt, dan zal hij verloren gaan. Alles wat hij terecht in zichzelf ontdekt en vindt, zal zinloos zijn. Zonder een woord van God over wat wij in onszelf vinden, blijven wij onwetend in die zelfkennis.
Niet lang geleden verscheen er een artikel in de Europese editie van Newsweek Magazine van de religieus historicus Karen Armstrong, waarin ze het bekende verhaal van Nietzsche aanhaalt over de dolleman of de gek. Je kent het verhaal misschien niet helemaal, maar vast 1 citaat eruit, want in het verhaal rent de gek een dorp binnen en hij roept de vraag: “Waar is god heen gegaan?”. En dan krijgt hij het volgende antwoord: “Ik zal het je vertellen, God is dood en wij hebben hem gedood”.
Karen Armstrong, die zelf niet gelovig is, zegt in het artikel dat in een zekere zin aangetoond is dat Nietzsche het verkeerd had. Religie, zegt ze, is nu belangrijker voor ons dan we ooit 50 jaar geleden hadden kunnen denken. Het einde in het verhaal van Nietzsche had dus niet het antwoord “God is dood” moeten zijn, maar de vraag van de gek, “Waar is god heen gegaan?” – want we lijken allemaal op zoek te zijn. En de manieren waarop wij zoeken, als kinderen van onze eigen tijd, kan iets heel interessants zeggen over de fundamenten waarop wij ons geloof zouden moeten baseren.
Hoofd of hart, moet ik kiezen?
We zouden de basisverlangens van mensen in twee categorieën kunnen verdelen.
-
1) een subjectief, individueel niveau, waarin we zoeken naar individuele erkenning;
2) een objectief niveau, waarin wij zoeken naar de feiten.
Ad 1) Als we naar de verlangens van de subjectieve soort kijken, ik zal ze de verlangens van het hart noemen, zien we geen zorg over dogma’s en wetten. Hier zijn we niet ten eerste intellectueel bezig, maar gevoelsmatig. Hier telt persoonlijke ervaring het meest. Hoe God tot mij spreekt of iets aan mij laat zien. Iets mystieks, wat moeilijk over te brengen is.
Het helpt me om me belangrijk te voelen als een individu. Maar het is tegelijk een teken van mijn aansluiting bij een grotere macht en dat brengt een bepaalde veiligheid of zekerheid met zich mee. Een stuk zelfvertrouwen misschien.
Religie weerspiegelt dan je verlangen naar een bijzondere identiteit. Ik heb waarde als een individu. Of ik nou mediteer of bid, of mijn god een naam en een cultuur heeft of niet, het belangrijke is dat het mij de kracht geeft om mijn leven als waardevol te zien. En er zijn heel veel verschillende religies die dat kunnen doen. Waarheid op dit niveau, is puur een persoonlijke zaak.
Maar, het interessante is, dat op deze houding vanzelf een correctie plaatsvindt in je leven. En dat moment treed meestal op als je persoonlijke identiteit aangevochten wordt. Als datgene waar je voor staat op de proef wordt gesteld. Denk bijvoorbeeld aan goedbedoelde inzet in ontwikkelingswerkzaamheden in derde wereld landen.
Als je leeft vanuit persoonlijke overtuiging dat iets goed is, wat geeft je dan het recht of de autoriteit om je mening op andere over te brengen? Is er een hogere wet of begrip van wat goed is?
Zonder een besef van een hogere wet, als je motivatie alleen op een goed gevoel gebaseerd wordt, krijg je snel een burn-out in zulk werk.
Bij het Peace Corps bijvoorbeeld, mag je eerst maar voor 1 jaar tekenen, want ze hebben al te vaak gezien dat mensen die met persoonlijke idealen aankomen, snel afhaken. Zodra vluchtelingen ondankbaar zijn, boos worden, stelen of elkaar doden, dus zodra de ervaring niet meer zo bevestigend voelt, houdt het op. Er moet iets hogers zijn waar je aan vast kan houden, dat zegt: het is goed en terecht wat je doet, ondanks je ervaring en gevoel op dat moment.
En zo gaat het vaak met deze verlangens van het hart. Als we onze zoektocht uitsluitend of voornamelijk proberen te baseren op een persoonlijk ervaringsniveau kan dat een bepaalde subjectieve zekerheid brengen. Ik heb dan individuele waarde, God ziet mij. Maar als we dan wat minder aandacht willen geven aan kennis, aan een hoger begrip van wat inhoudelijk waar is, dan raken we onze orientatie kwijt. Als we in een bepaalde periode geen persoonlijke bevestiging krijgen, wat dan? En als iemand anders een ander soort bevestiging lijkt te krijgen dan ik, zoals een wonder of een visioen of een antwoord op gebed? Als ik dat zelf niet krijg, is mijn geloof dan minder sterk? En hoe kan ik met anderen praten over mijn geloof als ik niet kan formuleren wat ik erover weet? Wij zijn zo gebouwd, dat zelfs als wij de objectievere verlangens van het hoofd willen negeren, deze terugkomen en aandacht opeisen.
Ad 2) Wat de verlangens van het hoofd betreft, daarin verlangen we juist naar universele begrippen. Kennis over hoe dingen in elkaar zitten, verklaringen voor verschijnselen, waarop wij kunnen vertrouwen en zelfs een stuk controle en voorspelling in het leven kunnen vinden. Vandaag de dag zien we dit vooral terug in de positie van de wetenschap. Relatieve kennis wordt absolute waarheid.
Een aantal jaar geleden verkoos Time Magazine Albert Einstein tot persoon van de 20e eeuw. Vanwege zijn grote creativiteit en zijn belangrijke ontdekkingen, maar ook vanwege zijn poging om alles te verklaren. Hij was op zoek naar de zogenaamde Theorie Van Alles (TVA). Hij stelde dat er een algemene wet moet bestaan die alle wetmatigheden in het heelal in zich draagt.
En hij zocht ernaar. En al is het hem niet gelukt, het idee sloeg aan.
In hetzelfde blad waren een aantal interviews opgenomen met wetenschappers die het werk van Einstein verder willen ontwikkelen. Zij zoeken naar de theorie van alles en het doel is een verklaring voor alle aspecten van de fysische werkelijkheid. Wetenschappers zoals Stephen Hawking schrijven interessante boeken hierover. Niet alleen voor andere wetenschappers, maar voor het algemene publiek – en ze zijn bestsellers.
Een wetenschapper die op dit moment aan de frontlinie werkt in het zoeken naar de TVA is Edward Witten. Zijn theorie heet de M-theorie. De theorie beschrijft een 11 dimensionale wereld met membranen en snaren als elementaire deeltjes. In het artikel wordt hem gevraagd waar de M voor staat en dan zegt hij dit: “de M staat voor vele dingen; Matrix en Membraan maar ook voor Mysterie en Magie”. En zijn collega zegt: “wij weten dat we op de goede spoor zijn, want het ruikt goed en op dit niveau heb je alleen maar eigenlijk je reuk en je gevoel.” Plotseling klinkt het niet meer zo wetenschappelijk en rationeel. En Witten gaat verder, want “als we de TVA ooit vinden, zal het ons leven zingeven”.
Hier kun je uit afleiden, dat als we onze zekerheid in een rationeel systeem zoeken en daarbij de verlangens van het hart proberen te negeren, het hart toch de nodige aandacht opeist. We hebben dus wel rationaliteit nodig maar zonder een persoonlijke aansluiting zegt het ons niet zo veel.
In het eerder aangehaalde artikel van Karen Armstrong, concludeert zij, als historicus:
“Human beings are so constructed that they need the conviction that in spite of all the depressing evidence, life has ultimate value.”
Dus: ondanks alle gebrokenheid, hebben wij de overtuiging nodig dat het leven waardevol is. En wij vinden deze hoop volgens Karen, vanuit haar kijk op de geschiedenis, op twee manieren:
-
1) “the ideal of the sacredness of every single individual” (het ideaal van de waarde van het individu) en
2) “the ideal of basic laws which serve as a foundation for understanding the world and our connections to each other” (of algemene wetten die een verklaring bieden voor de structuur van de wereld).
Dezelfde twee aspecten vinden we dus terug in deze beschouwing. Laten we dus concluderen dat de mens deze twee aspecten in zich heeft. We hebben op deze wijze dan onszelf leren kennen, volgens Calvijn de basis voor kennis van God.
Het antwoord
Laten we vervolgens kijken naar de relevantie van de tweede zin van Calvijn: zonder kennis van God is er geen echte kennis van onszelf.
In Blue Like Jazz van Donald Miller komen we een belangrijk moment in Donalds leven tegen. Hij staat aan de rand van de Grand Canyon, onder de sterren en plotseling beseft hij dat God hem heeft gemaakt en hem heeft gered en hem nu wil troosten.
Hoe kan hij dit beseffen? Omdat hij door het lezen van de bijbel of het horen van een preek de boodschap van God kent en deze uiteindelijk begrijpt, of gelooft. Zonder bijbel en preek was het wellicht ook een heel mooi en intense belevenis geweest, maar nu weet hij het te plaatsen in een werkelijkheid die hij kent!
Wat zegt God over deze werkelijkheid? Ik heb je gebouwd. Ik heb het gedaan en ik ben blij dat je het ontdekt. Wie mij vindt, vindt het leven, zegt God in Spreuken 8 en wie mij mist, doet zichzelf schade aan. Wij waren gebouwd om God te zoeken, en al tastend hem te willen vinden, zoals Paulus het ook weer in Athene zegt. Dat is ons leven. En als je dit weet, zegt God, kun je nog veel meer van mij leren, zodat je het allemaal een plaats kan geven. Groeien in kennis dus, maar ook groeien in liefde.
Als onderdeel van de schepping, delen wij als mensen in de structuur en de samenhang daarvan. God heeft het volgens bepaalde wetten gemaakt. In Genesis wordt gezegd dat de mens niet gewoon een onderdeel is, maar een bijzondere positie en rol zou hebben in de schepping. Dat wij en alleen wij, als mensen, Gods persoonlijk beeld zouden weerspiegelen. En juist dat beeld is weer gekenmerkt door de twee aspecten die ik steeds heb genoemd. Enerzijds de bekwaamheid om de orde en eenheid van de wereld om ons heen te herkennen. En onze honger om dat allemaal te ontdekken en benoemen en begrijpen. Zo zijn de verlangens van het hoofd geboren.
Tegelijkertijd herkennen we onze bijzondere rol in de schepping en willen we geliefd en erkend worden. Wij hebben een bijzondere waarde en verantwoordelijkheid, zegt God. En wij willen die waarde ontdekken en ervaren. Zo zijn de verlangens van het hart geboren.
Dus hoofd en hart samen. Laten we proberen geen karikatuur van ons geloof te maken door onze zekerheid te zoeken in dogma’s alleen, of in de ervaring die zo grillig kan zijn. God vraagt ons om lief te hebben. Hoe? Met heel je hart, je verstand en met al je krachten. Is dat teveel gevraagd? Nee, het is een exacte omschrijving van jou, als mens.
Ik hoop dat dit artikel je verder kan helpen in je zoektocht naar jezelf en je schepper.