Geloven met verstand en gevoel
door J. M. (Kim) Batteau
Deze lezing is de derde in een reeks van vier over het thema “Mens, wie ben je?” We proberen inzicht te krijgen in wie de mens is, en dus ook wie iedereen van ons is. We proberen aspecten van de “antropologie,” de leer over de mens, in kaart te brengen.
De eerste lezing benaderde de mens vanuit een filosofisch oogpunt. Bij de tweede lezing werd de mens vanuit een psychologisch uitgangspunt beschouwd. In deze derde lezing is de theologie aan de beurt. De vierde lezing gaat over de plaats van de mens in de kerkelijke gemeenschap.
1. Het geval van Pascal.
Velen kennen het volgende citaat van Pascal, de Rooms Katholieke wiskundige, natuurwetenschapper, en filosoof uit de 17e eeuw: “Wat een afstand ligt er tussen God kennen en Hem liefhebben” (Pensées, nr.280). Je komt andere vergelijkbare gedachten bij Pascal tegen, in zijn Pensées (gedachten). Het is een beroemde verzameling van z’n kernachtige gedachten over geloof en andere onderwerpen. Bijvoorbeeld: “Het hart heeft z’n redenen, die het verstand niet kent” (nr. 277). Of nog sterker: “Het is het hart dat God ervaart, niet het verstand. Dit is dus geloof: God gevoeld door het hart, niet door het verstand” (nr. 278).
Van deze citaten zou je de indruk kunnen krijgen dat Pascal geen enkel verband zag tussen het gevoel en het verstand. Godsdienst, christelijk geloof, zou voor hem puur een kwestie van gevoelens zijn, die met het verstand niets te maken heeft. Maar als je zijn Penseés leest, zie je dat het gecompliceerder ligt. Zijn denken is apologetisch van aard. Hij probeert christelijk geloof aannemelijk te maken voor intellectuelen van zijn tijd, mensen die atheïstisch of sceptisch zijn. Het geloof is iets van je hart, maar Pascal probeert het geloof ook aannemelijk te maken voor het verstand van ongelovigen.
Eén van de beroemdste voorbeelden uit de Pensées is Pascals “weddenschap” (nr. 233). De stelling is: “God bestaat.” Wie wedt ervoor en wie tegen? Volgens velen is Gods bestaan rationeel onwaarschijnlijk. Maar wat zijn de mogelijke consequenties van ongeloof of geloof? Pascal stelt een weddenschap voor. Als je wedt dat God bestaat, en het waar is, krijg je een eeuwigheid van geluk en vreugde. Als het blijkt dat God er niet is, heb je in ieder geval niets verloren. Aan de andere kant, als je wedt dat God niet bestaat, loop je het risico dat je voor eeuwig in de hel moet lijden. Het risico van ongeloof is dus veel en veel groter dan het risico van het geloof. Het is veel veiliger en dus verstandelijker te wedden op Gods bestaan, gezien de mogelijke consequenties. En uiteindelijk moet iedereen wedden!
Hier zien we hoe Pascal redeneert met de atheïst of scepticus op het oog.
Bovendien zien we hoe Pascal zich beroept op bepaalde “bewijzen” voor de waarheid van het christelijk geloof. Nr. 289 van de Pensées heet “Bewijs.” Pascal noemt hier 12 “bewijzen” dat de leer van de Schrift waar is. Hij noemt dan de wonderen van de Schrift, Jezus Christus in het bijzonder, het bestaan van het Joodse volk, de profetieën, en de geschiedenis van de wereld. Wat de profetieën van de bijbel betreft, bij deel 11 (nr. 693 en volgende) van de Pensées besteedt Pascal veel tijd aan de bewijzende kracht van die profetieën.
Kortom, voor Pascal is onze omgang met God een zaak vooral van je hart en je gevoelens, maar om tot geloof te komen, moet je verstand kiezen tussen de mogelijkheden die er zijn, op basis van argumenten over de gevolgen van je keus en de kracht van bepaalde bewijzen. Door een daad van je wil kies je voor wat je ziet als het meest waarschijnlijk, en meest veilig.
Pascal was geen systematicus. Hij heeft veel flitsende, stimulerende gedachten, zonder dat hij van al die ideeën een afgerond geheel maakt. Daarom is het niet juist van zijn gedachten een kloppend systeem te maken. Er zijn er tegenstrijdige kanten aan.
Maar toch blijft er bij Pascal een duidelijk verschil tussen de manier waarop het hart met God omgaat, en de manier waarop het verstand dat doet. We moeten ons de vraag stellen: heeft Pascal gelijk? Is het echt zo dat je hart God ervaart, maar je verstand niet? Is deze “dualiteit,” of dit “dualisme” terecht?
2. De mens in de Schrift.
Als we de Schrift open doen vinden we een bijna onuitputtelijke bron van informatie over de mens. Theologie gaat niet alleen over God, die gaat net zo goed over de mens! Dit artikel is niet de juiste plaats om de volle bijbelse antropologie, de leer over de mens, te beschrijven. Maar voordat we over het verstand en het gevoel verder praten wil ik graag enkele hoofdgedachten van de bijbel naar voren brengen. Als je meer over een bijbelse antropologie wilt lezen, kun je terecht bij het onlangs gepubliceerde werk van Van Genderen en Velema, hun “Beknopte Gereformeerde Dogmatiek.”
a. De mens: geschapen door en in relatie met God.
De mens bestaat omdat God er is. God schiep de mens, niet andersom, zoals Marx en Nietzsche beweerden! Dat wij als mensen door God geschapen zijn is één van de belangrijkste grondgedachten van de bijbel. God maakte ons. Dat betekent dat leven op aarde een Persoonlijk oorsprong heeft en een doel.
Leven op aarde heeft zin, omdat er een Zingever bestaat, God. Hij is onze Schepper. Dat betekent dat er een grens is tussen ons en Hem. Wij kunnen niet zijn zoals Hij is. Hij blijft voor eeuwig de Schepper, wij de schepselen. Dit in tegenstelling tot het Hindoeisme en de New Age beweging, waar de mens een goddelijke vonk in zich heeft, en waar er geen grens is tussen het menselijke en het goddelijke.
Maar als schepselen, en als mensen, hebben we altijd een relatie met God. Je kunt jezelf niet echt kennen als je Hem niet kent. Hij bewaart de schepping, alle schepselen, zodat we in leven blijven. Hij geeft ons op aarde goede gaven. Hij maakt het mogelijk voor alle mensen te genieten van het leven, zegt Paulus in Handelingen 14 (vs.17). We zouden dit Gods algemene genade kunnen noemen. De regenboog is daar sinds de zondvloed het bewijs van. Wij mensen mogen Hem kennen, we mogen Zijn kracht en wijsheid zien in de schepping rondom ons heen. En we mogen Zijn aangezicht zoeken. Dat wil zeggen, we zijn zo geschapen dat we met Hem mogen praten, en naar Hem mogen luisteren.
b. De mens: Gods beeld.
In Genesis 1 wordt de mens Gods beeld genoemd. Anders dan de rest van de schepping, anders dan de dieren, heeft de mens een bijzonder karakter en een bijzondere roeping. De mens heeft niet alleen de mogelijkheid van een verhouding van liefde tot en vertrouwen op God. De mens heeft kwaliteiten die het mogelijk maakt God af te beelden op aarde. De onzichtbare God laat Zich op aarde zien door middel van de mens, man en vrouw. Alle mensen, uit alle rassen en groepen, hebben deze gemeenschappelijke oorsprong. Hun identiteit als mensen is hetzelfde. In principe zijn alle mensen één qua karakter, niveau, denkwijze, en emoties. Omdat we allemaal als Gods beeld zijn geschapen. Onze verscheidenheid kan deze eenheid niet vernietigen. Racisme, discriminatie, en culturele imperialisme, waardoor één cultuur de ander domineert of vernedert, is in strijd met deze grondgedachte van de bijbel.
Er zijn allerlei discussies geweest in de loop van de kerkgeschiedenis over de betekenis van dit beeld zijn van God. Zijn alle mensen nog Gods beeld na de zondeval? Wat houdt het beeld zijn van God precies in? Is het een kwestie van bepaalde eigenschappen, en welke zijn die, of is het meer een kwestie van wat de mens doet? Calvijn ziet Gods beeld in de ziel van de mens, terwijl Klaas Schilder Gods beeld ziet in de activiteit van mensen bij het uitvoeren van het cultuur-mandaat. De discussie gaat verder en als je het boek van Van Genderen en Velema leest, ben je aardig op de hoogte hiervan. Ik kies voor de volgende voorlopige beschrijving: dat de mens Gods beeld is, betekent dat mensen, man en vrouw, geschapen zijn met die eigenschappen die het mogelijk maakt om God af te beelden. Alle mensen blijven Gods beeld, maar niet allen doen dat op een positieve manier. De roeping blijft echter om Gods beeld zijn waar te maken. In gebed, aan het werk, met gedachten en emoties, als creatieve en vorm-gevende personen, geestelijk en lichamelijk, als individuën en als gemeenschapen, als rentmeesters over de aarde en als kinderen van God.
c. De mens: eerst goed, nu gevallen.
Het valt op in de bijbel dat de mens Gods idee is. De mens bestaat door een keus van Gods wil, als een gedeelte van Gods schepping (Gen.1). De oorsprong van mensen in de bijbel is geen raadsel. Hij en zij, man en vrouw, komen niet uit het niets of door toeval. Ze zijn Gods schepping, en daarom goed, lezen we in Gen.1, vers 31. Gods beeld (vs.26,27). Gemaakt om God af te beelden op aarde. Een conclusie die we kunnen trekken is dat de mens met al z’n functies, met lichaam en ziel, en hoe je ook verder de mens wilt beschrijven, in het begin goed was. Wat het “hart” en het “verstand” van de mens verder mogen zijn, ze waren in het begin goed, in overeenstemming met Gods bedoeling.
Na de zondeval ligt het anders. De mens is van God vervreemd. In Gen.6, voor de zondvloed lezen we over de diepe verdorvenheid van de mensen in die dagen. “Jahweh zag, dat de boosheid van de mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was…” (vs.5).
Je mag misschien nog zeggen dat de mens Gods beeld is, na de zondeval, maar, om een uitdrukking van Velema te gebruiken, het is Gods beeld in negatieve modus. Gods beeld, maar in opstand tegen God. Gods beeld, maar niet meer goede rentmeester over de aarde.
Deze radicale verdorvenheid van de mens wordt duidelijk gepresenteerd in de bladzijden van de Schrift. Als één ding duidelijk is in de bijbel is het dit: de mens na de zondeval is niet meer wat hij was daarvoor. Hij is van God vervreemd. Dood in zonde. Niet meer in staat Gods vriend te zijn. Vervloekt en, als hij niet verandert, bestemd voor een eeuwigheid zonder God.
In een volle antropologie, de leer over de mens, mag dit perspectief over de mens in zonde niet ontbreken. In veel humanistische filosofie en psychologie wordt er geen rekening gehouden met deze waarheid van de Schrift. Maar de mens van nu is niet zoals hij ooit was. Dat mogen we nooit vergeten.
d. De mens: verlost door Christus, of niet.
Temidden van onze ellende, om de term van de Heidelbergse Catechismus te gebruiken, is er toch hoop. Want God is gekomen in de Persoon Jezus Christus. Door Hem is er vergeving van zonde, nieuw leven, ja zelfs een nieuwe schepping. Door geloof in Hem komen weer in in goede verhouding te staan met God. Er is genezing en herstel, door de kracht van de Heilige Geest.
De mensheid bestaat dus nu uit twee soorten mensen. Mensen die nog van God vervreemd zijn, en mensen die God weer kennen in liefde. Deze boodschap is het hart van het evangelie en uitermate belangrijk voor een bijbelse antropologie. Wij mensen zijn nog steeds het object van Gods liefde. Hij laat Zijn wereld, en Zijn beelden, niet los. Er is hoop voor de hele wereld, voor mensen in de hele wereld, omdat Christus is gekomen. God roept de hele wereld tot geloof in Hem.
Maar niet iedereen geeft een respons van geloof. Door Gods genade alleen antwoorden sommigen mensen met geloof. God kiest een volk uit, Hij geeft nieuw leven aan sommige mensen, niet aan allen. Gods genade is de actieve bron van ons geloof. Mensen die geloven zijn niet beter dan andere mensen. Het feit dat we Christus kennen als onze Verlosser is geen prestatie van onze kant. Uit dankbaarheid willen we voor Hem leven, instrumenten in Zijn handen, om de boodschap door te geven zodat iedereen dat nieuwe leven kan ervaren.
Onze verlossing heeft ook een toekomstig component. Alleen wanneer de Here Jezus terugkomt, zal onze verlossing compleet zijn. We kijken uit naar de toekomst met hoop, want de hele schepping zal verlost worden van de vergankelijkheid die we nu ervaren (Rom.8).
Om deze grondgedachten van een bijbelse antropologie samen te vatten kunnen we zeggen dat alle mensen geschapen zijn als Gods beeld. Alle mensen zijn van God vervreemd, maar sommigen zijn nu hersteld in gemeenschap met hun Schepper, met de hoop op de komende voltooing van de verlossing voor de hele schepping. Zonder dit perspectief op de mens, zal het heel moeilijk zijn om iets zinnigs te zeggen over wat het hart en het verstand van de mens zijn.
3. Verstand en gevoel.
In Gen.6 lezen we over het “hart” als het centrum van de gedachten van de mens. Het hart, in de bijbel, is niet in de eerste plaats een “gevoel-pomp,” die gevoelens uitspuwt, maar een “gedachten-pomp,” die gedachtens formuleert en uit. Volgens de Schrift is het hart van de mens een denkend hart. En die gedachten zijn nooit neutraal. Ze zijn of in overeenstemming met de werkelijkheid, de werkelijkheid van God en schepping, of ze rebeleren tegen die werkelijkheid: ze ontkennen God en Gods claim op de schepping. Je kunt niet God en Mammon dienen, zei de Here Jezus in het Nieuwe Testament (Matt.6.24). En het dienen van God of Mammom begint altijd in je hart, het centrum van je “ik” als mens.
Maar dat centrum van je, dat hart van je, is niet alleen het centrum van je gedachten. Of beter gezegd: de gedachten die je hebt gaan altijd gepaard met bepaalde emoties. De mensen in Gen.6, met die boze gedachten, waren emotioneel betrokken bij wat ze dachten. In de eerste hoofdstukken van Genesis lezen we over de zonden van mensen. Kaïn vermoordt z’n broer Abel (Gen.4.8). Kaïn haatte z’n broer Abel.
Het hart van de mens denkt, inderdaad, maar dat denken gaat altijd samen met bepaalde emoties. En het gevolg van dat denkende, emotionele werk van je hart is: activiteit naar buiten toe, in liefde of haat tot God en mensen.
In verband hiermee is het belangrijk te zien dat volgens de Schrift, gevoelens niet per se authentieker zijn dan je verstand of je wil. Alsof wat je voelt echt en diep is, terwijl wat je denkt schijn en oppervlakkig is. Emoties zijn niet dichter bij je hart dan je gedachten, en andersom! Je verstand is een uiting van je hart. Je wil is een uiting van je hart. Je emoties zijn uitingen van je hart. Alles wat je denkt en doet en voelt komt voort uit die ene bron in je, je hart.
Na de zondeval zijn we in ons hart verdorven. Maar God zendt ons verlossing. Hij verandert de harten van mensen die Hij uitkiest. De gedachten en emoties van onze harten krijgen van buitenaf nieuwe impulsen. Een nieuwe orientatie.
Vanuit de hele Schrift kun je moeilijk zeggen, zoals Pascal soms zei, dat je hart dichter bij God is dan je verstand. Want wat is je verstand anders dan een manier waarop je hart denkt?
De Schrift geeft ons geen gedetaileerd systeem van antropologie. Dus we moeten oppassen met te veel te willen putten uit de bijbelse gegevens. Een tekst zoals wat we lezen in Matt.22 (vs.37), waar de Here Jezus ons aanspoort om God lief te hebben, met heel ons hart, ziel en verstand brengt moeilijkheden mee. Is het hart heel anders dan je ziel? Je ziel heel anders dan je verstand? Ik denk dat uit de contekst het duidelijk is dat Christus bedoeld dat we God lief moeten hebben als hele mensen. Hem niet lief hebben met een gedeelte van ons leven. We worden geroepen om als hele mensen God lief te hebben.